Sponsors:

Geschiedenis

Tot in de 17e eeuw hadden velen de gedachte dat er tegen brand weinig te doen was. Het was de hand van God en je kon hopen en bidden dat de wind ging draaien of dat het ging regenen. De behuizingen waren veelal lage houten huisjes met rieten of met pek gedichte houten daken. Via een gat in het dak kon de rook van de vuurplaats ontsnappen. Van rookafvoer via een schoorsteen was nauwelijks sprake. De stookplaats was meestal een kuil in de lemen vloer waarin het vuur gestookt werd en waarboven een pot aan een ketting hing. Dat deze situatie bijzonder brandgevaarlijk was, mag duidelijk zijn. Een klein ongelukje en de hele stad brandde af.
Onvoorzichtigheid met vuur was natuurlijk niet de enige oorzaak dat er brand ontstond, ook blikseminslag en oorlogen veroorzaakten menige brand. Brandstichting werd door sommige machthebbers als zeer afdoend middel gehanteerd om tegenstanders te bestraffen en voor langere tijd uit te schakelen.

01 brandweervroeger
Men trachtte zich vanzelfsprekend van begin af te weren tegen dat verschrikkelijke vuur, maar het blussen van brand bleef meestal beperkt tot het gooien van enkele bakken water. Brandpreventie, het voorkomen van brand, is in die tijd een loze kreet. Men bouwde zoals gezegd voornamelijk houten huizen, sloeg hooi, hout, buskruit en andere brandgevaarlijke stoffen openlijk in de stad op. Ook snelle alarmering en organisatie waren ver te zoeken.

Het jaar 1521 is een belangrijk jaar in de geschiedenis van de brandpreventie. In dat jaar vaardigt Karel V een ordonnantie/wet uit waarin bouwen van huizen anders dan van steen verboden wordt.
Ook voor het opslaan van brandgevaarlijke stoffen kwamen regels. Toch duurde het nog jaren voordat het hele land hieraan gevolg gaf. Brand was een zorg voor elke burger, de overheid trad wel verordenend op, maar onderkende de noodzaak een eigen organisatie in het leven te roepen.
Men beperkte zich tot voorschriften en bepalingen hoe burgers zich bij brand moesten gedragen en over het aantal ladders, emmers, haken, zeilen en ander blusmateriaal er per stadsdeel aanwezig moesten zijn. Men vormde vanaf een gracht of diep, een lange keten van burgers die elkaar emmers water doorgaven waarbij de laatste in de rij door middel van het leeggooien de vlammen probeerde te blussen. Een weinig effectieve bezigheid nog afgezien van het feit dat het doorgeven van houten of metalen emmers een vrij zware en vermoeiende bezigheid was. Bij winterdag vaak nog bemoeilijkt door de ijsvorming. Ook de hoge walkanten zorgden voor problemen om het water te bereiken. Men plaatste dan een ladder in de gracht en al staande op de laddersport net boven de waterspiegel werd het bluswater geput. Later hield men hier rekening mee door bij belangrijke gebouwen zogenaamde “stoepen”, verlaagde walkanten te bouwen. Deze waren ook in Winschoten zichtbaar langs de Buiten- en Binnen Venne.

02 buitenvenne ansichtkaart

 

De torens in de stad fungeerden vaak als uitkijkplaats voor brand. Torenwachters overzagen de stad en maakten door middel van klokgelui de inwoners op een brand attent. Tevens hing hij dan twee lantaarns met brandende kaarsen of manden aan de torenzijde waar de brand was. Deze situatie bleef gehandhaafd tot er in de stad voldoende openbare brandmelders en telefoons waren geplaatst.. Totdat een goed blusgereedschap, de Brandpomp, zijn intrede deed, was de strijd tegen de “rode haan” vaak een machteloze strijd.
Pas in de Gouden Eeuw zou de brandweerzorg belangrijk verbeteren. Vanaf de tweede helft 17e Eeuw ging de overheid inzien dat brand blussen niet alleen een zaak was voor direct betrokkenen. Men ging bepaalde groepen van de bevolking met deze taak belasten. In eerste instantie was het de Geestelijkheid die zich hier voor inzette, maar de Gilden namen uiteindelijk de taken over.

De burgerij behield echter de plicht gemerkte “brandemmers” startklaar te houden en bij brand op de stoep te plaatsen. Er waren burgers die 04 brandemmersvan de overheid de leiding kregen bij brand, zogenoemde Brandmeesters. Zij werden bijgestaan door “emmermeesters” die zorg hadden voor emmers en ander blusmateriaal en dienden dit na afloop van een brand naar de rechthebbende terug te brengen.

03 brandemmers

Ondanks de aanpassingen in voorschriften en verordeningen bleven de middelen ter bestrijding van brand tot 1614 beperkt. In dat jaar werd voor het eerst octrooi verleend voor een Brandspuit.
Het was echter een primitieve spuit die niet aan de verwachtingen voldeed, maar anderen wel op een idee bracht. De spuit bestond uit een grote ronde of rechthoekige bak van hout of metaal, waarin twee zuigperspompcilinders waren geplaatst die door middel van een stangenstelsel met de hand bewogen moest worden in op/neergaande beweging. Zo perste men water in een verticale buis, en daarop zat een straalpijp, een soort waterkanonnetje die op de brand werd gericht. De genoemde bak diende constant te worden bijgevuld met emmers water uit de gracht.Dit was al een hele verbetering maar we moeten wachten tot Jan van der Heiden in 1672 komt met een slangbrandspuit. Hij verbeterde de traditionele brandspuit met een wijde linnen slang met waterzak en schraagpomp die dicht bij de waterkant kon worden geplaatst. Dit verhoogde de capaciteit van de brandspuit.
De volgende fase was het plaatsen van zuigbuis + pomp in de gracht waardoor het scheppen met emmers tot het verleden behoorde. Door het aanbrengen van vier houten wielen maakte men de brandspuit dan nog mobieler.

05 slangbrandspuitjanvanderheiden 06 jan vander heidenspuit

Deze uitvinding van Jan van der Heiden is van veel belang geweest en betekende een revolutie op het gebied van brand blussen. Zijn ontwerp bleef zelfs na minimale aanpassingen tot in de 20e eeuw veelvuldig in gebruik. Zelfs tijdens de Tweedewereldoorlog maakte men nog weer gebruik van deze oude brandspuiten. Naast deze slangbrandspuit zette Jan van der Heiden ook de basis voor een brandweerorganisatie. Voor de Gildenbroeders, door het Stadsbestuur aangewezen voor het blussingswerk, werd deze taak te zwaar en Jan v.d.Heiden vond toen dat het brandweerwezen beter georganiseerd moest worden. Hij verwachtte discipline, oefening en taakverdeling van de manschappen. De tijd dat de Gilden-broeders in de kroeg zaten te wachten op een brandmelding was afgelopen. Een brandweerman had, en heeft ook nu nog een hartversterking nodig, maar dan wel ná gedane plicht.

Vanaf 1800 voeren discipline en organisatie de boventoon bij de Brandbestrijding. De plaatselijke overheden stellen Brandmeesters aan die het opperbevel voeren over de lagere manschappen, de zogenaamde geaffecteerde burgers die vrijgesteld waren van de schutterij. Als kenteken ontvingen deze geaffecteerde een koperen penning met hun nummer erop. Die penning diende bij opkomst te worden afgegeven aan de brandmeester,als bewijs dat men was geweest. Afwezigheid of te laat komen werd bestraft. Men probeerde op allerlei manieren de ijver en snelheid van de manschappen op te voeren, zo was er ook enige tijd een systeem dat men z’n penning in een bus diende te werpen.
De brandmeester had ook een penning, maar met een gat en wierp die eveneens bij het ter plaatse komen in de bus. Alle mannen die hun penning vóór de brandmeester in de bus hadden gegooid kregen meer uitbetaald dan de laatkomers. Daarnaast werden er premies uitgeloofd voor de spuiten die bij brand het eerste water gaven. Dit leidde wel eens tot ruzies tussen spuitgasten waarbij men niet schroomde elkaar slangen door te snijden om die premie maar te bemachtigen
Langzamerhand werd echter duidelijk dat het systeem van aangewezen burgers brand blussen niet geheel ten goede kwam, zodat de overheid besloot deze lieden te vervangen door vrijwillige spuitgasten En zo zou ook Winschoten in navolging van vele andere gemeenten, rond 1900 een Vrijwillige Brandweer krijgen.
Uit archiefgegevens van Gemeente Winschoten kunnen wij optekenen dat deze plaats vanaf 1800 een eigen Brandweer bezit en dat de eerste Brandspuit in 1817 werd aangeschaft. Volgens een schrijven van toenmalig Maîre/Burgemeester Eisso Post bezat de plaats vanwege de slechte financiële positie voordien nauwelijks blusmiddelen. Op 6 mei 1817 werd Post door hogere autoriteiten gedwongen tot aanschaf van een brandspuit. Aan die opdracht zal gehoor zijn gegeven want kort daarop werd zelfs een tweede brandspuit aangeschaft. Winschoten was toen nog klein en mogelijk werd men weinig met brand geconfronteerd, want op de gemeenterekening in 1818 stond als uitgavenpost van de Brandweer een bedrag van slechts f 25,-

Bij besluit van de Municipale Raad werd op 30.10.1822 het eerste Brandweerreglement vastgesteld. Met de invoering in 1823 van dit “Eerste Reglement ter Voorkoming en Blussching van Brand” kreeg de brandbestrijding hier ter plaatse enige structuur. Hierin waren niet enkel bepalingen07 reglement ter voorkoming en blussching van brand 1823 opgenomen voor de Brandweer zelf, maar ook verplichtingen voor de ingezetenen om in geval van brand hun medewerking te verlenen. Een kopie van dit Brandweerreglement werd in het archief aangetroffen en het is wel aardig om enkele artikelen te noemen uit dit “Reglement ter Voorkoming en Blussching van Brand in de Gemeente Winschoten”.

 

In art.5 was aan schoorsteenvegers de bijzondere plicht opgelegd om indien door hen schoorstenen niet in orde werden bevonden daar van kennis te geven aan de autoriteiten. Bij niet nakomen van deze verplichting kreeg men een boete van 60 cent. Ingezetenen werden bij art. 6 verplicht hun schoorstenen in de maanden maart en oktober te laten vegen, bij boete van f 1,50.
In art. 18 werd bepaald dat het Plaatselijk Bestuur elke drie maand de brandspuiten moest inspecteren, defecten moest laten herstellen en moest zorgen dat bij iedere brandspuit voorhanden waren 2 goede lantaarns elk voorzien van 2 kaarsen. En wat de ingezetenen betrof, werd in art. 19 bepaald dat iedere bewoner van een behuizing zich moest voorzien van een houten brandemmer “met inhoud van 10 kan, 7 maatjes, 1 vingerhoed tot 13 kan, 3 maatjes, 9 vingerhoed of 8 tot 10 kroes vocht”.

Was men hierin nalatig dan werd dit op zijn kosten aangeschaft en kreeg hij 1 gulden boete. De bewoners van bovenwoningen en achterkamers waren van deze verplichting vrijgesteld. Op de 1e maandag van iedere maand ’s morgens tussen 9-12 inspecteerde de brandmeester de emmers die voor de huisdeur moesten worden geplaatst. Als daaraan niet werd voldaan of de emmers niet waterdicht werden bevonden, kreeg de bewoner een boete van 50 cent. In art. 20 werd het Plaatselijk Bestuur bevolen in de winter in de kanalen, grachten of vijvers behoorlijke bijten te kappen. Art. 21 bepaalde dat het Plaatselijk Bestuur benoemde 1 Brandmeester en voor iedere spuit 2 Onderbrandmeesters.

Werd volgens art. 24 door iemand brand ontdekt, dan was hij verplicht dadelijk overluid “Brand” te roepen en de naaste buren daarvan dadelijk te verwittigen. Verder bevatte het reglement nog de bepaling dat bij brand ’s nachts en bij donker weer alle ingezetenen van de betrokken wijk verplicht waren een brandend licht voor hun ramen te plaatsen of een lantaarn met een brandende kaars uit te hangen om de straat te verlichten. En voorts om bij elke ontstane brand de brandemmers dadelijk ter plaatse van de brand te doen bezorgen, bij boete van f 1,50.
De nachtwachten hadden dan tot taak de verdere plaatsgenoten en autoriteiten te wekken door overal “brand” te roepen. Dit werd ondersteund met het luiden van de torenklok.

09 klapwakers bewerkt

De schutterij zette de plaats van de brand af om o.a. diefstallen te voorkomen. Art. 43, het laatste artikel bepaalde dat de boetes in de gemeentekas vloeiden en dat beloningen daaruit betaald werden.
Tot zover enkele bepalingen uit het eerste “Reglement ter Voorkoming en Blussching van Brand in de Gemeente Winschoten”. Een zeer ongunstige omstandigheid was dat op meerdere plaatsen in het centrum niet voldoende bluswater aanwezig was. Dit leidde soms tot acties van buurtbewoners die zich onveilig voelden. Zo werden rond 1825 op verschillende plaatsen waterputjes gegraven waaruit bij brand grondwater kon worden gehaald. Ook werd de Raad om een krediet gevraagd voor de vervaardiging van twee brandspuithuisjes voor plaatsing van de brandspuiten. De Raad mocht hierover nog niet zelf beslissen maar had toestemming nodig van de Gouverneur des Konings. Die vond de kosten te hoog, want door deze uitgaven zou de begroting worden overschreden hetgeen belastingverhoging voor de burgers betekende. Kosten gingen in dezen voor veiligheid van burgers. Er kwam 1 brandspuithuisje en de andere spuit moest maar in een particuliere schuur worden ondergebracht. Winschoten groeit echter vanaf 1825 van “vlek” of te wel plattelandsplaats met stedelijk karakter uit naar “stedelijke gemeente” en in die ontwikkeling bleef ook de brandweer Winschoten niet achter.

Op 1januari 1827 bestond het brandweermateriaal uit 2 spuiten, 325 emmers (allen particulier eigendom), 4 brandhaken, 12 bijlen, 3 ladders en 4 lantaarns.

In 1837 schafte men voor f 800,- een derde brandspuit aan, vervaardigd door dhr. A.v.Bergen, toen nog te Midwolda. Een hele uitgave voor de gemeentekas, waarvoor men gedurende 8 jaren een 4 % lening aanging. Het materiaal onderging tot 1850 maar weinig ingrijpende veranderingen. De slangenbrandspuit door Jan van der Heiden ontworpen werd alleen geperfectioneerd door een lichtere constructie die de spuit beter vervoerbaar en gemakkelijker hanteerbaar maakte. De grote verandering kwam pas door de invoering van de stoomspuit in 1866. Hoewel James Watt in 1769 al de stoommachine had uitgevonden die een “industriële revolutie” te weeg bracht, duurde het vrij lang voor deze uitvinding bij de Brandweer zijn intrede deed. Toch was de stoommachine ook voor

Brandbestrijding een enorme vooruitgang met betrekking tot capaciteit en waterdrukkracht. Aanschaf was echter vanwege het kostenaspect niet voor iedere gemeente mogelijk. Daarnaast vroegen vele gemeentebestuurders zich af waarom het nu zonodig was om met stoom te spuiten, men had het toch jaren goed gedaan met gewoon koud water!Over technisch inzicht gesproken.

In het Jaarverslag 1851 van Gemeente Winschoten staat ten aanzien van brandblusmiddelen vermeld: “De toestand der middelen is voldoende en de gemeente is in het bezit van vier goede brandspuiten met aanjager en verder toebehoor, welke voor de omvang van de gemeente genoegzaam geacht worden”. Geleidelijk werd de uitbreiding voortgezet en rond 1870 bezat Winschoten een vrij uitgebreid korps van brandweerlieden die rechtstreeks onder bevel stonden van het gemeentebestuur. Zij wees uit de burgerij mannen aan die enige tijd verplicht waren deel uit te maken van de Brandweer. Bij de benoeming der brandweerlieden werd gewoonlijk advies gevolgd van de commandant, de opperbrandmeester. Functies in die jaren o.a. bekleedt door kantonrechter Mr. Lewe Quintus, manufacturenhandelaar Dasse Viëtor en azijn- en likeurstoker Phaff.
16 september 1886 werd een brandweeroefening gehouden door het gehele brandweerpersoneel, waarbij het college van B & W in bijzonder aandacht schonk aan de toestand der brandspuiten en blusmiddelen. Hieruit bleek dat niet alle spuiten optimaal functioneerden zodat bij Gemeenteraad op aanschaf van een nieuwe moderne Zuig- en Persbrandspuit werd aangedrongen. In een voorstel wees men toen op de omvang van het blusmateriaal in verhouding tot de uitgestrektheid der gemeente en de afmetingen van de percelen. Dit voorstel werd zonder verdere discussie aangenomen en de firma A.H. van Bergen te Heiligerlee kreeg opdracht voor de vervaardiging.

Dit resulteerde in een brandspuit die in 1885 op de Wereldtentoonstelling in Antwerpen bekroond was met een gouden medaille. Het betrof hier een brandspuit aangespannen met 200 m voorslang met straalpijp opening van 21 mm die de waterstraal 24 meter in verticale en 29 meter in horizontale richting kon brengen. Tevens was het mogelijk middels een driewegkraan 2 slangen van 25meter te bedienen. Met deze aanschaf was wel het aanzienlijke bedrag van f 775,- gemoeid, maar deze spuit heeft in de jaren zijn waarde ruimschoots bewezen.

Als dank daarvoor kreeg deze brandspuit vele jaren een eervolle plaats in de Winschoter toren om vervolgens te worden overgebracht naar de hal van het Stadskantoor. Daar kan men nu nog eens aanschouwen hoe het blussen van brand in vroeger tijden nog echt handwerk was.

14 brandspuit stadhuis 1887

De Winschoter Brandweer beschikte vanaf 1887 over een 6-tal Handbrandspuiten. De voor die tijd modernste staat zoals gezegd nu in het Stadskantoor. In die tijd waren de brandspuiten op diverse plaatsen in het centrum en in de buitenwijken gestationeerd, in zgn. “brandspuithuisjes”. Dit had als voordeel dat het materiaal bij brand direct voorhanden was. Aan het hoofd van elke spuit stond een Brandmeester met onder zich een aantal spuitgasten een pijphouder en lantaarndragers. Er was bovendien een afdeling ladders en haken, alsmede één die de haspels bediende. Onderstaand twee van die handbrandspuiten.

16 handspuit brandweer winschoten

De Brandmeesters waren o.a. herkenbaar aan een staf die ze bij zich droegen met daarop aangegeven het nummer van de spuit waarover zij het bevel voerden. Bewaard zijn de staven met de nummers 1 t/m 5, alsmede een staf van de afdeling water aanvoer en lichtverlichting. De staf met een goudkleurige knop behoorde toe aan toenmalige commandant, de Opperbrandmeester.

17 brandstokken winschoten 18 brandstokken winschoten

Verder waren bij de Brandweer nog ingedeeld een paar tamboers, hoornblazers en enkele klokluiders. Het was namelijk gewoonte dat bij brand de brandweerlieden, en daarmee tegelijk de ingezetenen, door klokgelui, trommelslag en hoorngeschal gewaarschuwd werden. Deze wijze van brandalarm bleef in werking totdat de techniek ook hier haar intrede deed, maar daarover later meer. Dit alarm lokte vanzelfsprekend vele inwoners uit hun huizen, richting brand waardoor het werk van de brandweer belemmerd werd. Omdat het politiekorps toen nog maar over weinig personeel beschikte, werd de dienstdoende schutterij ingeschakeld om daar de orde te handhaven. Het was vaak heel moeilijk aan het nodige bluswater te komen, vooral op plaatsen waar men geen vaart, gracht of sloot had en men aangewezen was op de daar gemaakte waterputten. Het kwam dan vooral op de waterdragers met hun emmertjes aan. Pas toen in 1903 Winschoten z’n Gemeentelijke Waterleiding kreeg kon de Brandweer heel wat effectiever en krachtdadiger bij branden optreden.Op afstanden van 50 tot 100 m werden in de straten brandkranen aangebracht zodat de Brandweer door middel van een op de brandkraan geschroefd opzetstuk waaraan de slangen werden gekoppeld, water kon betrekken. De druk in de waterleiding liet echter nog te wensen over zodat soms nog water moest worden betrokken uit sloten, grachten of putten.

Een algehele reorganisatie van de Brandweer ging met de inwerkingtreding van de Waterleiding gepaard. Het betekende ook afschaffing van het premiestelsel waarbij de spuit die het eerste water gaf beloond werd. De totstandkoming van de Winschoter Telefoonmaatschappij in 1901 bracht ook veel te weeg. Door het gebruik van de telefoon kwam er een eind aan het luidruchtige brandalarmsysteem en konden de Brandweerlieden geruchtloos worden gealarmeerd.

Tamboers,hoorn blazers en klokluiders verdwenen van het toneel, de bevolking werd bij brand niet meer in beroering en op straat gebracht en inzet van de schutterij werd overbodig. Er werd een nieuw brandweerkorps gevormd, samengesteld uit vrijwilligers en benoemd door B&W. De burgemeester had bij brand het opperbevel maar delegeerde dit meestal aan de opperbrandmeester die in dit werk veel kundiger was. Deze reorganisatie betekende ook inkrimping van brandweer-
personeel daar de meeste Handbrandspuiten buiten werking werden gesteld.

Ze werden vervangen door slangenwagens in sommige gevallen getrokken door paarden. Zo kreeg Winschoten als het ware een nieuwe Brandweer, niet zo talrijk als de oude, maar beter uitgerust en bestaande uit mannen die zich vrijwillig hebben verbonden om, waar het nodig was het vernielend element te bestrijden en in zijn loop te stuiten.

De ingebruikname van de Gemeentelijke Waterleiding en de totstandkoming van de Winschoter Telefoonmaatschappij betekenden vanaf 1903 een belangrijke stap in de ontwikkeling van brand-bestrijding alhier. Het gemeentebestuur, overtuigd van de grote waarde van een goed uitgeruste brandweer, was steeds bereid mee te werken het korps van de modernste hulpmiddelen te voorzien.
Winschoten kreeg een Brandweer die voor de beste in den lande niet behoefde onder te doen en uitgerust was met middelen die het haar mogelijk maakte de grote vijand, het vuur, op doeltreffende wijze te bestrijden.

De modernisering van materiaal en alarmeringsysteem betekenden herziening van het uit 1823 daterende “Reglement ter Voorkoming en Blussching van Brand”.
In het nieuwe Brandweerreglement van 26 mei 1906 valt te lezen dat vanaf nu de Winschoter Brandweer bestond uit: een Opperbrandmeester, Brandmeesters, een Hoofdman Haken en Ladders, Onderbrandmeesters, Opzichters, Sectiecommandanten, Brandwachten en Spuitgasten. Ieder met een eigen taak. Zij waren allen voorzien van onderscheidingstekens die bij brand of oefening zichtbaar gedragen dienden te worden.

19 onderscheidingstekens brandwachten 020 sjerpen diverse kleuren

De Opperbrandmeester was herkenbaar aan een brede oranje-sjerp en lederen pet met gouden band met daarop de metalen letters “B.W.”. De Brandmeesters droegen een brede witte-sjerp en lederen pet met zilveren band en letters “B.W.”. Onderbrandmeesters en opzichters droegen de witte sjerp om hun middel, Sectiecommandanten een witte band met spuitnummer om de linkerarm, Brandwachts een lederen pet met blauwe band en de Spuitgasten om de linker arm een band met de letters “B.W.” Alle mannelijke ingezeten vanaf 20 jaar konden tot Spuitgast of Brandwacht worden benoemd. Het personeel kreeg een jaarlijkse vergoeding en de spuitgasten ontvingen voor hun inzet f 0,25 voor het eerste uur en f 0,20 uur voor de volgende uren. De Brandwachten waren uitsluitend voor de bediening van het blusmaterieel dat gebruikt werd in verband met de “Hoogdruk waterleiding”. Zij werden dan ook als “Waterleiding-Brandweer” aangeduid.

021 banden wit

022 brandweerpet

Voor alarmering van het personeel kregen de Hoofdbrandwachten een telefoontoestel met verbindingen in huis en de Onderbrandmeesters en Br023 rode bandenandwachten een elektrische bel.

Ontving de Opperbrandmeester een Brandmelding, dan gaf hij direct kennis aan de Hoofdbrand-wacht wiens slangenwagen het dichtst bij de brand geplaatst was. De Brandwachten zorgden dan dat de slangenwagen ter plaatse kwam waarna de spuitgasten hun werkzaamheden konden aanvangen al dan niet met gebruik van de waterleiding. De slangenwagens moesten met de hand worden voortgetrokken of met de paarden van stalhouderij Nieboer.

024 alarmering wekkersysteem

De slangenwagens waren uitgerust met tenminste 120 meter slang diverse straalpijpen, fakkels, hamers, bijlen, touwen met haken, een ijzerbezem met kogel, ketting en kitshaak en een kannetje smeerolie. De Opperbrandmeester werd altijd vergezeld door de bode. Hij verzorgde de administratie van de brandweer en had de zorg voor het onderhoud van de blusmaterieel.

Al het brandweerpersoneel met uitzondering van de spuitgasten legden ten overstaan van het college van B&W de eed c.q. belofte af waarin zij beloofden de opgedragen taak met nauwgezetheid en ijver te zullen uitvoeren.
De burgers hadden uiteraard wel de plicht om de bevelen van de brandweercommandanten op te volgen, maar nergens in dit Reglement stond nog dat ze materialen en dergelijke beschikbaar moesten stellen.
Aangezien de telefoon nog geen gemeengoed was, deed men toch een beroep op de particuliere bezitters om ingeval van brand hiervan gebruik te kunnen maken. In verschillende straten kwamen strookjes aan lantaarnpalen met opschrift “Brandmelding perceel no… zoveel”
Dat waren vaste adressen waar je binnen kon gaan om te bellen als er brand was. Grotere steden maakten een netwerk van openbare brandmelders die via ondergrondse kabels verbonden waren met een telegraafkamer in een brandweerkazerne. Winschoten beschikte echter toen nog niet over een eigen brandweerkazerne zodat deze wijze van brandmelding nog niet mogelijk was.

 

SOB Agenda

Geen activiteiten.